Geboorteadvertentie van Milja Spoelstra (1945)

Geboorteadvertentie van Milja SpoelstraOp 15 december 1945 wordt Milja Spoelstra geboren in Haarlem. Haar vader, A. den Doolaard, is niet aanwezig bij de geboorte vanwege zijn werk op het overstroomde Walcheren.

In het democratisch-socialistisch dagblad Het Vrije Volk van 22 december wordt een geboorte-advertentie geplaatst. Het adres dat daarin vermeld staat (Zaanenlaan 130 Haarlem) is het adres van Erie's ouders, waar ze tijdelijk bij inwoonde. Een maand later vertrekken ze naar Vlissingen, waar ze in de Sardijngeul aan de Boulevard Evertsen gaan wonen.

Gerelateerd

Geboortebericht Hélène Spoelstra (1935)

Huize de Sardijngeul, Vlissingen

De roman Het verjaagde water werd door A. den Doolaard geschreven in 'De Sardijngeul', de woning in Vlissingen waar hij met zijn vrouw Erie en pasgeboren dochter Milja in 1946 woonde. 

Boulevard met links strand en water, rechts huizen
Huize de Sardijngeul (rechts, met dakkapel) aan de boulevard in Vlissingen. Foto via Google Streetview

Bijna tien jaar geleden probeerde ik, het spoor van A. den Doolaard door Walcheren volgend, al eens deze woning terug te vinden. Dat lukte niet omdat ik er geen exacte adresgegevens van had. Wat ik wel wist was dat het huis 'De Sardijngeul' heette en aan de zeeboulevard lag, en flink wat oorlogsschade had opgelopen. Achteraf zijn we er toen vlak langs gereden, want het is vanaf het strandpaviljoen Panta Rhei, waar we koffie hebben gedronken, het derde huis op de boulevard. 

Het adres werd deze maand door Jan Moekotte ontdekt in het personeelsdossier van A. den Doolaard in het archief van de Dienst Droogmaking Walcheren (Zeeuws Archief, DDW, archiefnummer 360.1 inventarisnummer 36). Hij is bezig aan een artikel over A. den Doolaard op Walcheren voor De Wete, het blad van de heemkundige kring Walcheren. 

In dit personeelsdossier zijn brieven bewaard van een glashandel  en een aannemer over openstaande facturen voor glas en "werkzaamheden verricht aan het perceel Boulevard Evertsen 54" kort voordat A. den Doolaard dit pand zou betrekken. In een aantal brieven wordt het pand ook aangeduid met de naam 'De Sardijngeul'. 

Nog in 1950 werd er gecorrespondeerd over de vraag wie deze rekeningen moest betalen: de huiseigenaar of Rijkswaterstaat.

Brief over afhandeling factuur
Brief Rijkswaterstaat over afhandeling facturen 

In het gemeentearchief Vlissingen vond Jan Moekotte vervolgens uit dat de huisnummering van de Boulevard Evertsen in de loop der jaren twee keer is gewijzigd, zodat het huis nu niet meer nummer 54 heeft maar nummer 282-286. Hij was er meteen daarna naartoe gefietst, en was er zelfs al binnen geweest, en had daar in de voormalige werkkamer van den Doolaard gestaan. 

bordje met opschrift "Huize Sardijngeul"
Gevelsteen van Huize Sardijngeul, foto: Jan Moekotte

Oorlogsschade

In zijn autobiografie Het leven van een Landloper schreef A. den Doolaard over het woonklaar maken van en werken in zijn tijdelijke onderkomen in Vlissingen: 

Ik voelde (...) dat ik voor het schrijven op Walcheren moest blijven wonen. 

Eind februari 1946 waren de dijken dicht. De Vlissingse wethouder van huisvesting wees mij allervriendelijkst als woning de twee bovenverdiepingen van een huis op de zeeboulevard toe. Het halve dak was er slechts af, en in de zijmuur gaapte een gat waar een auto doorheen kon. Waterleiding was er ook niet en ik moest zelf maar zien hoe ik de woning opknapte. Maar met behulp van vriendelijke Vlissingers en de assistentie van de honderden sigaretten, die ik van mijn driedubbel rantsoen als verbindingsofficier had opgespaard, kwam het in drie maanden in orde. In die tijd heerste in Nederland nog de tabaksstandaard. Timmerman, metselaar, loodgieter: niets te beginnen zonder handgeld van een paar sloffen sigaretten. 

Nadat ik uit de kasten van de verwoeste benedenverdieping veiligheidshalve een stel landmijnen en handgranaten had weggeruimd, slordig achtergelaten door de Duitse genietroepen en Schotse commando's, die er achter elkaar hadden gehuisd, betrokken Wampie, onze dochter Milja, een bloeiende zuigeling van twee maanden, en ik onze tijdelijke woning. Ik werkte in de grote dakkamer, met brede ramen op zee, waar ik de boardwanden volprikte met de kaarten, diagrammen en foto's van het werk. Toen de herfststormen kwamen, perste de winddruk het water door de raamsponningen en de dakkapel trilde zo, dat ik me achter mijn schrijftafel een kapitein waande op de brug van zijn schip. Binnen schreeuwbereik van het huis, door de diepe Sardijngeul, voeren de grote zeestomers blazend voorbij. 

(Het leven van een landloper, 4e druk, p. 286-287)

Gerelateerd

Het verjaagde water
Het verjaagde water achterna
De droogmaking van Walcheren

Andere adressen van A. den Doolaard

Copernicusstraat 126, Den Haag
Boerderij Woelwijk, Voorburg
Loskade 27, Middelburg
Villa Deneš, Lovran (Kroatië)
Hoenderloo, Miggelenbergweg 51

Winterbestijging van de Mont Blanc - vervolg

Dit artikel is een vervolg op het eerste artikel 'Winterbestijging van de Mont Blanc' met daarin het franse krantenartikel uit 1930 met een beschrijving van een beklimming waaraan werd deelgenomen door A. den Doolaard.

Tekening van alpiniste met ski's
Afbeelding: tekening van een alpiniste in een advertentie in het blad Buitensport uit de jaren dertig.

In zijn autobiografie Het leven van een landloper beschrijft A. den Doolaard wel de winterbestijging van de Mont Blanc van 23 februari 1930 met zijn gids Luc Couttet, maar nergens rept hij over de vrouwelijke alpiniste die deze tocht ook meedeed. De enige vrouw die in dit verband wordt genoemd, is 'een jong Frans meisje' dat hem na zijn tocht drie weken lang aan tafel zijn eten voerde doordat hij door zijn bevroren vingers daar zelf niet toe in staat was.
'Zij werd later mijn eerste vrouw. Maar over haar zal ik in dit boek niet schrijven" vervolgde den Doolaard.

Hoe hij zijn kwetsuur had opgelopen, vermeldde den Doolaard niet in zijn autobiografie. In een brief aan zijn zus Ina schreef hij hierover (Hans Olink, Dronken van het leven, p. 61):

"De bak was dat ik op 4000 m hoogte bij felle kou met m'n vingertoppen mijn metalen stijgijzers aangeraakt heb, dat trekt dadelijk brandblaren die later in de warmte pas opkomen."

In een artikel in het Algemeen Handelsblad van 28 maart 1930 wordt de volledige deelnemerslijst van de bestijging wel door A. den Doolaard vermeld:

"In eenige Fransche en Engelsche bladen heeft een paar weken geleden een bericht gestaan over een bestijging van den Mont Blanc bij veertig graden koude door de Fransche alpiniste mad. de Seygnoret met de gidsen Burnet en Luc Couttet uit Chamonix en ondergeteekende. In het verhaal werd o.m. vermeld, dat uw berichtgever twee bevroren handen opgeloopen zou hebben, hetgeen gelukkig slechts gedeeltelijk waar is, hoewel het heden, drie weken na de bestijging, de eerste dag is, dat ik de schrijfmachine betokkelen kan om een kort bericht samen te stellen over dezen duizelingwekkenden witten hoogte-toer, tot nog toe de eenige gelukte in dit seizoen."

Het betreffende artikel is in z'n geheel te lezen op de krantenwebsite van de Koninklijke Bibliotheek: Een winterbestijging van den Mont Blanc (4810 M).

Winterbestijging van de Mont Blanc (1930)

In zijn autobiografie Het leven van een landloper beschrijft A. den Doolaard hoe hij in februari 1930 met zijn gids Luc Couttet de eerste en enige winterse beklimming van dat jaar van de Mont Blanc maakte. Wat hij er niet bij vermeldde, was dat aan deze barre tocht ook een franse alpiniste deelnam.

Ik ontdekte deze tochtgenote in een krantenartikel uit Le Figaro van 27 februari 1930 (pagina 2, rechtsonder):

Krantenartikel Le Figaro over winterbestijging Mont Blanc 27 februari 1930

Vertaald staat er ongeveer het volgende (met dank aan Lenta Wamsteeker):

Een franse alpiniste, mevrouw Dubouy de Seygnoret  heeft een geslaagde winterbeklimming van de Mont Blanc ondernomen bij een temperatuur van min veertig graden.

Chamonix, 26 februari. -  De Mont Blanc is op 24 februari voor het eerst dit jaar (met moeite) beklommen door een karavaan van vier geharde skiërs, die te lijden hadden onder een buitengewoon hevige kou. Deze karavaan bestond uit mevrouw Maryvonne Dubouy de Seygnoret, Bob Spoelstra, bergbeklimmer uit Nederland en de gidsen Jacques Burnet en Luc Couttet. Bij haar terugkeer te Chamonix vernamen we uit de mond van mevrouw Seygnoret de details van deze hachelijke beklimming:

“We zijn begonnen met de Grands-Mulets, zondag 23 februari, gebruik makend van de skilift van de Aiguille du Midi naar de gletsjer. Na een goede nacht te hebben doorgebracht in de hut vertrokken we  ’s morgens om 5.30 uur, ondanks een sterke wind en buitengewoon koud weer. Tot het grote plateau ging alles goed, die route is vrij beschut. Daar aangekomen,  waren we van oordeel dat de storm ons niet zou toelaten om gebruik te maken van de bergkam op de verhoogde terreinen  (?) ; daarbij, van richting veranderend deden we onze ski’s uit en beklommen de gletsjerblokken van de doorgang tot de Col de la Brenva. (?) De scherpe helling was als een serieuze verdedigingsmuur die tegenstand bood, terwijl de gidsen zonder ophouden moesten hakken ondanks de werkelijk buitengewone kou. Minstens veertig graden.
Een veldfles rum, die de gids Luc Couttet in de binnenzak van een Canadese met schapenvacht gevoerde jas had, bevroor volledig. Door onze  goede uitrusting hadden we geen  ernstige bevriezingsverschijnselen. Maar aangekomen op de top, om 13.15 uur, vertrokken we weer direct, ons weinig aantrekkend van het panorama, maar verlangend om een meer beschutte omgeving te vinden. De terugkeer verliep zonder incidenten, behalve de scheuren in enkele sneeuwbruggen. Mijn Nederlandse vriend, Bob Spoelstra, had last van pijnlijke bevriezingsverschijnselen aan zijn handen en gezicht.
Ik ben blij met mijn tocht omdat de topprestatie van Mlle Bouvier afgelopen winter me stimuleerde.”

Zeker, de ontberingen van een winterbeklimming lijken franse alpinisten niet erg af te schrikken, die regelmatig de aanval wagen en er elke winter in slagen. We voegen eraan toe, dat de beklimming de hele dag via de telescoop gevolgd is door de mensen in Chamonix,  die de karavaan niet zonder angst in de storm bezig zagen.
R.F.R.

In een volgend artikel meer over deze winterbeklimming.

Zeeuws archief - Walcheren onder water 1944 - 1946

In de verzameling Zeeuwse verhalen van het Zeeuws Archief is een serie artikelen toegevoegd over de onderwaterzetting en droogmaking van Walcheren. Centraal in de serie Walcheren onder water staan de rapportages die A. den Doolaard maakte voor Radio Oranje, waaruit ook veelvuldig geciteerd wordt.

Overstromingen, dijkdoorbraken, inundatie. Walcheren (Zeeland) staat onder water…
Walcheren onder water (Collectie Spaarnestad, Nationaal Archief)

Aan bod komende volgende onderwerpen:

Veel van wat wordt beschreven is goed herkenbaar wanneer je het boek Het verjaagde water van A. den Doolaard hebt gelezen. Al met al een prachtige serie!

Voor deze serie werd door het Zeeuws Archief geput uit het archief van de Rijkswaterstaat, Dienst Droogmaking Walcheren dat bij het Zeeuws Archief wordt bewaard. 

Gerelateerd

Het verjaagde water
De droogmaking van Walcheren
Het verjaagde water achterna
Loskade 27, Middelburg

Reacties zijn welkom

Ik vind het leuk om reacties te krijgen, dus reageer gerust wanneer je vragen, opmerkingen of aanvullingen hebt. 

Reageren kan onder elk artikel