De Ongebreidelde Waarheid

In het Nationaal Archief in Den Haag stuitte ik onlangs op een opmerkelijke brief van den Doolaard aan minister-president Gerbrandy, waarin hij scherp protesteert tegen een poging hem de omgang met bepaalde personen te beletten. Gerbrandy had hem laten weten dat hij zich als ambtenaar van de Londense regering niet mocht inlaten met communisten, iets waar den Doolaard scherp tegen protesteert.

Hieronder volgt de letterlijke tekst van de brief (die in het Nationaal Archief te vinden is in het archief van de Ministeries AOK en AZ, Kabinet van de Minister-President, toegang 2.03.01, inventarisnummer 2260):

Londen, 9 December 1944

Excellentie,

Hedenmorgen deelde u mij mede, dat bepaalde personen mij kwalijk hadden genomen, dat ik te Heerlen gezien was in gezelschap van den Heer Exter, redacteur van "De Waarheid". Dit zou mij n.l. als "ambtenaar" niet passen.

Ik vind deze uiting ernstig genoeg, om U te verzoeken de personen van wie zij afkomstig is, te waarschuwen tegen de kwaaddenkendheid, welke zich op verdachte wijze beweegt in de richting van een Nederlansche politiestaat. Ik ben als mensch en als ambtenaar vrij om te verkeeren met elken Nederlandschen staatsburger; het is wel zeer merkwaardig, dat men mij niet kwalijk neemt, dat ik in Heerlen gezien ben in gezelschap van én den Heer Exter én een algemeen geacht hoofdingenieur der Staatsmijnen, die in mijn bijzijn den Heer Exter uitnoodigde om bij hem thuis bepaalde problemen te komen bespreken. Ik neem de vrijheid U, als Minister-President, er opmerkzaam op te maken, dat de bundeling der krachten in het Nederlandsche volk ten zeerste bedreigd wordt, indien symptomen, als hierboven vermeld, zich veelvuldiger zouden voordoen. Zou dit onverhoopt het geval zijn, dan bestaat er groot gevaar, dat een op het oogenblik nog goedwillend deel van het Nederlandsche volk nolens volens in de armen van het straat-communisme zal worden gedreven. Ik zelf zal de eerste zijn om dit te betreuren en te bestrijden, maar om uitwassen te bestrijden stel ik er prijs op even scherp te stellen, dat niets in de Grondwet, noch in het B.B.S.B. zich verzet tegen omgang tusschen staatsburgers, die op vrije voeten zijn. Ik zie in de uiting, die U mij overbracht dan ook een aantasting van mijn grondwettelijke rechten.

Indien men mij wenscht te beletten, dat ik ter informatie en gedachtenuitwisseling met bepaalde personen omga, dan wordt mijn werk bij Radio Oranje, voorzoover het de grenzen van nieuwsberichten en officieele communiqué's overschrijdt, onmogelijk. Ik wensch hard te werken voor "de stem van Strijdend Nederland", maar wensch niet te spreken als "de stem van Gebreideld Nederland".

Met de meeste hoogachting,
Uw dw. dr.,
(w.g. A. den Doolaard)